Milwaukee, 7 maart 1937. Percy Grainger staat voor een orkest dat speciaal voor deze avond is samengesteld. Hij is vierenvijftig, hij is net tot erelid van de American Bandmasters Association benoemd, en hij heeft die eer beantwoord met een nieuw werk: zes bewerkingen van de volksliederen die hij dertig jaar eerder in Lincolnshire had opgenomen.
Er staan zes delen op het programma.
Er klinken er drie.
Wie er die avond speelden
Het orkest heette de Milwaukee Symphonic Band, en het was een gelegenheidsformatie. De musici kwamen uit de bedrijfsorkesten van twee brouwerijen: Blatz en Pabst Blue Ribbon. In het Amerika van de jaren dertig was dat niets bijzonders — grote bedrijven hielden er orkesten op na, en een brouwerijkapel kon goed spelen.
Goed genoeg voor marsen en ouvertures, in elk geval.
Er gaat een verhaal dat de heren die avond meer belangstelling hadden voor hun eigen product dan voor de repetitie. Dat is smakelijk en het wordt vaak verteld, maar geen enkele bron citeert Grainger daar letterlijk over — dus houd het op overlevering.
Wat wél vaststaat is dat de helft van het werk onspeelbaar bleek. De twee ritmisch lastigste delen sneuvelden: Rufford Park Poachers en Lord Melbourne.
Waarom het misging
Niet omdat Grainger moeilijk wilde doen. Omdat hij eerlijk wilde zijn.
Neem Rufford Park Poachers, het derde deel. Alleen al in de eerste versie staan negenenvijftig maatsoortwisselingen. Drie achtsten, vier achtsten, vijf achtsten, drie vierden — in hoog tempo achter elkaar. Dat is geen modernistische grap. Dat is hoe Joseph Taylor het zong.
Of Lord Melbourne, het vijfde deel. Dat opent in "free time": zonder dirigeermetrum, zonder vaste maat, afgewisseld met keiharde asymmetrische maten. Grainger moest er een eigen ritmische notatie voor uitvinden, omdat de bestaande niet kon vastleggen wat hij op zijn wasrollen hoorde. Pikant detail: hij kon zijn eigen aanwijzingen in de praktijk nauwelijks navolgen. Frederick Fennell heeft later voorbeelden genoteerd op basis van hoe Grainger het zélf voorzong.
Een orkest van 1937 dat gewend was aan marsen, kreeg dus partijen onder ogen waarin de maatsoort om de paar tellen veranderde — omdat een landarbeider uit Lincolnshire nu eenmaal niet in vier kwarten zong.
Het moment dat alles verklaart
En dan is er dat ene besluit waar het bij Grainger altijd op uitdraait.
Van Rufford Park Poachers had hij twee verschillende versies gehoord. Niet twee liederen — hetzelfde lied, twee keer anders gezongen. Een verzamelaar kiest dan. De mooiste, de meest typische, of hij maakt er een middenweg van.
Grainger deed geen van drieën. Hij schreef ze allebei uit, als versie A en versie B, en liet de dirigent kiezen. Zijn uitleg, later aan Fennell:
"Ik kreeg twee verschillende versies te horen, en ik vond niet dat ik eerlijk kon zijn met maar één versie. Dus loste ik het probleem op door er twee te maken."
Versie A staat in f klein, met een solo voor flügelhorn. Versie B staat in c klein, met een solo voor sopraansaxofoon. Grainger had een voorkeur voor B — maar uitdrukkelijk alléén als de saxofonist die solo werkelijk kon dragen. Fennell koos juist A.
Dat is de hele man in één beslissing: liever twee waarheden dan één gestileerde onwaarheid. En het is meteen de reden dat het stuk in Milwaukee strandde.
Vijftien jaar in de la
De gevolgen hielden aan. Het werk kreeg de reputatie te moeilijk en te vreemd te zijn, en dat werd niet geholpen door de uitgave. Er bestond alleen handgeschreven partijmateriaal, geen leesbare partituur, en er zaten meer dan vijfhonderd fouten in.
Wie het wilde spelen, moest dus eerst uitzoeken wat er eigenlijk stond.
Tot Frederick Fennell zich ermee ging bemoeien. Hij richtte in 1952 het Eastman Wind Ensemble op, nam het werk op voor Mercury, en maakte er zijn levenswerk van om het recht te zetten. In 1987 verscheen zijn volledige partituur, waarin die vijfhonderd fouten waren gecorrigeerd. In 2020 volgde nog een herziening.
Fennells eigen conclusie over de beruchte ritmes is het citeren waard, want het is precies andersom dan je zou denken:
"De enige spelers die over die ritmes struikelen, zijn doorgewinterde beroepsmuzikanten."
Jonge spelers die nog geen vaste verwachting hebben, lezen gewoon wat er staat.
Wat wij ermee moeten
Lincolnshire Posy is inmiddels onbetwist een hoeksteen van het blaasorkestrepertoire, en het is voor ons het zwaartepunt van dit seizoen. Het staat op 25 oktober in Heel én op 10 januari in Maaseik — als enige werk twee keer in de eerste seizoenshelft.
Dat is geen toeval. Het is het stuk waarin alles samenkomt waar deze reeks over gaat: muziek die ergens vandaan komt, van mensen met namen, opgeschreven door iemand die weigerde het mooier te maken dan het was.
En ja, die maatsoorten staan er nog steeds.
Weetje. Het tweede deel, Horkstow Grange, gaat over een ruzie tussen een vrek bijgenaamd "Steeleye Span" en zijn knecht. De Britse folkrockband Steeleye Span ontleende daar in 1969 haar naam aan — en nam het lied pas achtentwintig jaar later zelf op.
Drie vragen over een concert dat misging
U heeft het verhaal gelezen. Eens kijken wat er is blijven hangen — en er zit één vraag bij waarvan het antwoord de meeste mensen verrast.
Alles wat hierboven staat, hoort u op 25 oktober in Heel en op 10 januari in Maaseik. Inclusief die negenenvijftig maatsoortwisselingen.
Volgende week: twee stukken van dezelfde componist, met bijna dezelfde naam. Welke spelen wij?
Reacties
0 reacties