Vorige week hoorde u over een componist die in een Brusselse music-hall een thema oppikte van musici van wie niemand de namen kent.
Deze week het tegenovergestelde.
Brigg, april 1905
In het Noord-Engelse plaatsje Brigg wordt elk jaar een muziekconcours gehouden. In 1905 is er voor het eerst een categorie volkszang toegevoegd — niet omdat er zoveel vraag naar was, maar om verzamelaars te helpen: als je de zangers naar je toe laat komen, hoef je ze niet te zoeken.
De eerste prijs, tien shilling en zes pence, gaat naar een tweeënzeventigjarige man uit Saxby-All-Saints. Hij heet Joseph Taylor, hij is voorman op een landgoed, en hij zingt Creeping Jane, een lied dat hij als jongen heeft geleerd van een oude vrouw in Binbrook.
In de zaal zit een drieëntwintigjarige Australiër die in Londen als concertpianist werkt. Hij noteert later dat Taylor op zijn leeftijd nog beschikt over "a flowing, ringing tenor voice", en dat hij eruitziet als een man van middelbare leeftijd. Zijn naam is Percy Grainger, en die middag verandert er iets.
De fiets, het armenhuis, het potlood
In september komt Grainger terug. Hij logeert in het Manor House in Brigg en fietst de streek rond: Kirton-in-Lindsey, Scawby Brook, Redbourne, Saxby-All-Saints. Vier dagen brengt hij door in het Brigg Union Workhouse — het armenhuis — waar hij zingt wat de bewoners zingen en het opschrijft.
Want dat is hoe het die eerste keer gaat: met potlood. Hij krabbelt de melodie terwijl iemand anders de tekst opvangt. Het werkt, en het werkt niet. Je krijgt de noten te pakken, maar niet de manier waarop iemand zingt. Niet het aarzelen voor een hoge noot, niet het versnellen aan het eind van een regel, niet die onverklaarbare halve tel extra die een boer erin legt omdat zijn vader het ook zo deed.
1906: het apparaat op zijn rug
Een jaar later keert hij terug — en dit keer, zoals een biograaf het formuleert, "with one of Thomas Edison's cylinder machines strapped to his back".
Een fonograaf uit 1906 is geen bandrecordertje. Het is een kist met een trechter en een wasrol, en je moet er een zangeres of een landarbeider toe zien te bewegen dat hij erin zingt. Grainger doet het, en hij doet het in 1908 nog eens. In totaal legt hij tussen 1905 en 1910 ruim driehonderd liederen vast op zo'n tweehonderd wasrollen — een van de vroegste geluidsarchieven van de Engelse volksmuziek. Ze liggen nu bij de British Library.
En dan begint het echte werk. Om te achterhalen wát er precies gebeurt in de voordracht, speelt Grainger de rollen op halve snelheid en een octaaf lager af. Zo hoort hij de micro-ritmiek en de versieringen die op normale snelheid voorbijglippen. De teksten schrijft hij fonetisch op, zodat ook het accent bewaard blijft.
Waarom dat zo bijzonder was
Zijn tijdgenoten deden het anders. Cecil Sharp, de bekendste Engelse volksliedverzamelaar, poetste zijn vondsten op: onregelmatige maten werden regelmatig, vreemde wendingen werden gladgestreken, zodat je het in een schoolboek kon zetten.
Grainger wilde juist het schuurpapier bewaren. In zijn eigen woorden zijn de bewerkingen die hij later maakte bedoeld als
"een soort muzikaal portret van de zanger die de onderliggende melodie zong — een portret van zijn persoonlijkheid, niet minder dan van zijn manier van zingen."
Hij vond die plattelandszangers bovendien muzikaal beter dan concertzangers, en hij legde precies uit waarom: om hun verscheidenheid aan klankkleur, hun dynamische bereik, hun ritmische vindingrijkheid en hun eigen stijl.
De namen
En dat is het verschil met vorige week.
Joseph Taylor. George Gouldthorpe, die voor hem zong in het armenhuis van Brigg. George Wray uit Barton-on-Humber. Mevrouw Thompson uit Barrow-on-Humber. Mevrouw Hill, kindermeid, oorspronkelijk uit Horsham in Sussex. Dean Robinson uit Scawby Brook. Ann Hiles, dienstbode.
Grainger schreef ze allemaal op. En toen hij dertig jaar later het stuk voltooide dat wij op 25 oktober spelen, zette hij er een opdracht boven: "aan de oude volkszangers die zo mooi voor mij zongen."
Daar hoort een ongemakkelijke voetnoot bij, want eerlijk is eerlijk: veel van deze uitzonderlijke musici waren straatarm. Gouldthorpe zong niet in een concertzaal maar in het armenhuis. Grainger vond bij de allerarmste mensen van Lincolnshire een muzikaliteit die hij in Londen miste.
Wat er van Joseph Taylor is overgebleven
Twee dingen, en ze zijn allebei mooi.
Grainger gaf Taylors versie van "Brigg Fair" door aan zijn vriend Frederick Delius, die er een beroemd orkestwerk op baseerde. Bij de Londense première in 1908 zat de inmiddels vijfenzeventigjarige Taylor in de zaal. Halverwege stond hij op en zong zijn eigen melodie mee.
En in datzelfde jaar wist Grainger de Gramophone Company ervan te overtuigen om Taylor in een studio te zetten. Twaalf liederen werden opgenomen, negen ervan verschenen op zeven 78-toerenplaten — tot de allervroegste commerciële opnamen van Engels volkslied die bestaan. De stem van een landarbeider uit Lincolnshire, geboren rond 1832, is er nog steeds.
Volgende week
Uit dit alles kwam Lincolnshire Posy voort: zes liederen, zes portretten. Grainger noemde het een boeket "musical wildflowers" — vandaar dat woordje posy, ruikertje.
Wat er gebeurde toen dat werk voor het eerst klonk, is een verhaal apart. Er stonden zes delen op het programma. Er klonken er drie.
Tot volgende week.
Welk lied werd er bij u thuis gezongen?
Grainger ging naar gewone mensen toe en schreef op wat zij zongen. Honderdtwintig jaar later doen wij hetzelfde, op kleinere schaal.
Was er bij u thuis een lied dat er altijd was? Iets wat uw moeder zong bij het strijken, wat de buurt zong met carnaval, of wat er op de fanfare-uitstapjes in de bus werd ingezet? Schrijf het op in de reacties — de titel, een regel tekst, of gewoon hoe het ging. We verzamelen ze, en de mooiste komen terug in een van de volgende afleveringen.
Reacties
0 reacties